“Ik voelde dat ik dit vaker wil doen.”

Voor Kairos Heijnen werd de Transhumance 2026 een avontuur om nooit te vergeten. Samen met zijn familie liep hij mee met deze bijzondere voorjaarstocht, waarbij de schaapskudde van Natuurpunt in twee dagen van Kasteel Altenbroek naar de Sint-Pietersberg trok. Met meer dan 100 ingeschreven deelnemers en honderden toeschouwers langs het traject was dit de grootste editie ooit.
De transhumance vormt elk jaar het startsein van het begrazingsseizoen. Tijdens deze eeuwenoude traditie trekken herders met hun kudde van winter- naar zomerweiden, afgestemd op het seizoen en de beschikbaarheid van voedsel. Tegelijk verbinden de schapen natuurgebieden met elkaar als een levende corridor, waarbij zaden worden verspreid en mensen elkaar onderweg ontmoeten.
“Bij Kasteel Altenbroek zag ik voor het eerst al die schaapjes. Dat vond ik indrukwekkend en ook ontroerend,” vertelt Kairos. Vooral het begin maakte veel indruk op hem. “De ooien liepen voorop en de lammetjes kwamen achteraan. Soms konden ze dan niet meer meteen bij hun moeder. Er was zelfs een lammetje van drie weken oud.”
Tijdens de tocht genoot Kairos volop van het wandelen tussen de kudde. Hij hielp ook de herders door wandelaars op afstand te houden, zodat de schapen rustig konden blijven lopen.
Na de eerste wandeldag werd er gekampeerd in een wei bij de schapen in Moelingen, waar we opnieuw gastvrij werden ontvangen door de familie Douven. Daar ontstond een gezellige avond met spelletjes, nieuwe vriendschappen, een barbecue en een kampvuur. “Ik heb twee goede vrienden gemaakt,” vertelt Kairos enthousiast. Slapen deed hij in een klein tentje met z’n drieën. “Dat was wel wat krap, maar gelukkig blaatten de schapen niet te veel in de nacht.”
De tweede dag trok de groep verder via Moelingen en over de brug naar Lixhe, om uiteindelijk aan te komen in Lanaye en verder richting de Sint-Pietersberg.
Aan het einde van de tocht wist Kairos het zeker: “Ik voelde me goed en ik voelde dat ik dit vaker wil doen. Ik raad het jullie ook aan.”

Foto: Josette Renard